handicap
mannelijk (de)/ˈhɛndiˌkɛp/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (medisch) een lichamelijke of geestelijke beperkingDoor zijn handicap moest hij zich verplaatsen met een rolstoel.
Etymologie
* Leenwoord uit het Engels, in de betekenis van ‘belemmering, gebrek’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1929
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek