handhaven

/xxxx/

Betekenis

werkwoord
  1. ov (ov) iets doen voortbestaan, aan iets vasthouden
    Hij handhaafde zijn bezwaar tegen de bezuiniging.
    Dank aan de auteurs en uitgevers die overname toestonden (zie voor bijzonderheden 'Bronnen' aan het einde van het boek). De oorspronkelijke spelling hiervan is zoveel mogelijk gehandhaafd. Van enkele stukken bleken, tot onze spijt, auteur en uitgever niet te achterhalen.
  2. ov (ov) krachtdadig in stand houden, naleving afdwingen
    De orde werd met grof geweld gehandhaafd.
  3. refl (refl) zich een positie in een groep verzekeren
    Hij kon zich in de klas niet handhaven.

Etymologie

*Samenstelling van hand en havenen

Vertalingen

Engelsmaintain, enforce
Fransmaintenir, se maintenir
Duitssich behaupten
Spaansmantener, atener, mantenerse