hamer
mannelijk (de)/ˈhamər/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (gereedschap) werktuig dat kan worden gebruikt om te slaanHij probeerde met de hamer hard op de spijker te slaan, maar raakte per ongeluk zijn duim.
- (anatomie) een van de drie gehoorbeentjes in het oorDe hamer heeft een belangrijke functie bij het overdragen van geluid in het oor.
Etymologie
* In de betekenis van ‘werktuig’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 801
Uitdrukkingen
- Tussen de hamer en het aambeeld — In een zeer ongunstige positie zijn
- Iets onder de hamer brengen. — Iets veilen.
Vertalingen
Engelshammer, hammer, malleus
Fransmarteau, marteau
DuitsHammer
Spaansmartillo
Italiaansmartello
Portugeesmartelo
Russischмолоток
Chinees锤子
Japans金槌
Koreaans망치
Arabischمطرقة
Turksçekiç
Poolsmłot, młotek
Zweedshammare
Deenshammer
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek