halsdoek
mannelijk (de)/xxxx/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (kleding) een doek die je om je hals knoopt vooral gebruikt door boeren en met carnavalSjengs moeder zat haar hoofd te schudden tegen haar zus. `Hebben jullie een blauwe kiel en een rode zakdoek meegenomen?' vroeg ze. `Joh, die hebben ze in Amsterdam toch niet?' riep tante Stephanie. Sjeng stond op en kwam terug uit de gang met twee blauwe boerenhemden en rode halsdoeken. In Venlo was carnaval geen verkleed- of schminkfestijn. Daarvoor moest je naar Maastricht, legden ze uit. ` Wij herkennen liever wie we zoenen,' zei tante Stephanie.{{Aut|Spaan, HenkDe halsdoek waarmee de eerste Nederlandse vrouwelijke heilige zou zijn gewurgd, is vanaf 12 juni te zien in Museum Catharijneconvent in Utrecht. NRC 29 mei 2015
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek