hakken
/ˈhɑkə(n)/
Betekenis
werkwoord
- houwen, slaan met een scherp voorwerp om iets in stukken te verdelenHij voelde de stropdas om zijn nek knellen, heel anders dan een hemd met een witte jas eroverheen waarin je ruimte had, grote armbewegingen kon maken, wat maar goed ook was want dat de handlier was vervangen door een elektrische betekende niet dat het slagersvak niet zwaar meer was, niet voor niets was hij zo breed als een os, enorme bovenarmen had hij, van het zagen en het hakken en het tillen: een taaie, vezelige spiermassa.Tijdens ons gesprek aan de bar had hij nog geen woord gesproken over hard skills als het maken van vuur en een schuilplaats uit de sneeuw hakken.
Etymologie
* In de betekenis van ‘houwen’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1350
Vertalingen
Engelscut, chop
Spaanscortar, picar
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek