gros

onzijdig (het)/ɣrɔs/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. eenheid (eenheid) een dozijn dozijnen, ofwel 144 stuks
    Hij verkocht zijn computers bij het gros.
  2. figuurlijk (figuurlijk) het merendeel
    Het gros der mensen vindt dit onaangenaam.

Etymologie

*Komt van het Franse "grosse", wat weer van het Oudhoogduitse groz (groot) komt.