groepsimmuniteit

vrouwelijk (de)/xxxx/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. medisch (medisch) de situatie waarbij voldoende mensen antistoffen hebben opgebouwd tegen een bepaalde infectieziekte waardoor een populatie als geheel immuun hiertegen is en de infectieziekte zich nauwelijks kan verspreiden
    De groepsimmuniteit voor het coronavirus was bij het uitbreken afwezig.
    De strategie heeft in elk geval een negatief effect gehad op het aantal sterfgevallen van het land. Met 43 sterfgevallen per 100.000 inwoners is het sterftecijfer van Zweden wereldwijd een van de hoogste en uit een eerste Zweedse studie naar groepsimmuniteit blijkt dat slechts 7,3 procent van de Stockholmers antistoffen tegen Covid-19 heeft opgebouwd.

Etymologie

* Samenstelling van groep en immuniteit , aangetroffen vanaf 1928, zie vindplaats hieronder.

Vertalingen

Engelsherd immunity
Fransimmunité grégaire
DuitsHerdenimmunität
Spaansinmunidad de grupo
Italiaansimmunità di gregge
Portugeesimunidade de grupo
Zweedsflockimmunitet
Deensflokimmunitet