groenteboer

mannelijk (de)/xxxx/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. beroep (beroep) iemand die een detailhandel in groente en fruit bedrijft
    Mijn ene grootvader was groenteboer, de andere schoenmaker.
  2. groente, handel (groente) (handel) winkel waar groente en fruit verkocht wordt

Etymologie

* In de betekenis van ‘verkoper van groenten’ voor het eerst aangetroffen in 1858

Vertalingen

Engelsgreengrocer