groen-wit

onzijdig (het)/ɣrunˈwɪt/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. patroon dat is opgebouwd uit witte en groene vlakken
    De Rotterdamse ondernemer Olaf Ouwerkerk en zijn tweelingzus Marise Ouwerkerk vonden het tijd om hier verandering in te brengen en introduceren Stadsmuisjes, met de vertrouwde anijssmaak maar in het groen-wit van Rotterdam.
  2. sport (sport) tenue van een ploeg dat voornamelijk witte en groene vlakken laat zien
    De linksbuiten maakte zoveel indruk in het groen-wit van Groningen, dat hij al snel overstapte naar PSV.
    Ze reden in alle vroegte naar München en wisten de gestopte oud-topvoetballer daar te verleiden tot een rentree in het groen-wit van Groningen.
  3. met groene en witte vlakken
    Iedereen die deelgenomen had aan deze spelletjesdag kreeg als aandenken een medaille aan een mooi groen-wit lint.

Etymologie

* , geschreven met een koppelteken volgens