groen

onzijdig (het)/ɣrun/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. kleur (kleur) kleur zoals bladeren van planten die meestal hebben, geel met blauw gemengd; secundaire kleur, in het spectrum gelegen tussen geel en cyaan, met een golflengte van ca. 550 nm
    Dit groen lijkt wel erg donker.
    Dekkers: „Planten en bomen leven van de energie die ze uit zonlicht halen. Ze gebruiken de energierijke delen uit het witte licht van de zon. Wat dan overblijft is groen.”
    Veel leuker, maar ook langzamer, is de Route Nationale 7. Veel sterker dan op de Autoroute ervaar je hoe het landschap langzaam van kleur verschiet, van het sappige groen van de Bourgogne naar het azuurblauw van de Méditerranée, via het droge geel van de Provence.
  2. metonymisch (metonymisch) gebladerte, loof en andere plantendelen met veel bladgroen
    Fietsen door het groen.
    De bloemist verwerkt ook veel groen in het boeket.

Etymologie

*(erfwoord) via Middelnederlands "groen" / "groene" van Oudnederlands "gruoni", verder wellicht doublet met zowel groeien als gras. Als kleurnaam aangetroffen vanaf 1040 Buiten het Germaans zijn geen verwante woorden met zekerheid bekend. Misschien van *ǵhroh1-ni (deze gereconstrueerde wortel zou dan weer samenhangen met *ǵhrh1-,"groeien"), maar mogelijk ook een ontlening uit een substraattaal.

Uitdrukkingen

  • groen zien van jaloezie
  • rijp en groen
  • groen en geel zien
  • (van lichten of seinen) op groen staan
  • Groen en geel voor de ogen worden
  • Groene vingers hebben
  • Groen als gras zijn
  • Onder de groene zoden liggen

Vertalingen

Engelsgreen, green, inexperienced
Fransvert, vert
DuitsGrün, grün
Spaansverde, verde, novicio
Italiaansverde, verde
Portugeesverde, verde
Russischзелёный, зелёный
Chinees綠色
Japans
Turksyeşil, yeşil
Poolszieleń, zielony
Zweedsgrön, grön
Deensgrøn, grøn