groeitijd

mannelijk (de)/ˈɣrujtɛit/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. de periode van het jaar dat iets groeit
    Paddenstoelen hebben hun groeitijd vooral in de herfst.
  2. de totale tijd die nodig is voor het groeien
    Sommige houtsoorten hebben een langere groeitijd dan anderen.
  3. de tijd dat iets groeit
    In de groeitijd van de economie zijn er veel te veel kantoren gebouwd.