groeitijd
mannelijk (de)/ˈɣrujtɛit/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- de periode van het jaar dat iets groeitPaddenstoelen hebben hun groeitijd vooral in de herfst.
- de totale tijd die nodig is voor het groeienSommige houtsoorten hebben een langere groeitijd dan anderen.
- de tijd dat iets groeitIn de groeitijd van de economie zijn er veel te veel kantoren gebouwd.
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek