groeigroep

mannelijk/vrouwelijk (de)/ˈɣrujɣrup/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. categorie die opvallend in omvang toeneemt
    Want gereedschap zonder snoer is, althans in de visie van de Amerikaanse firma, dé manier om onhandige mensen - de laatste groeigroep in de doe-het-zelfbranche - te transformeren tot verwoede klussers.
  2. religie (religie) verband van een aantal mensen gevormd om zich samen godsdienstig te ontwikkelen
    Een groeigroep is een open groep waar iedereen welkom is.
  3. onderwijs (onderwijs) verband van een aantal leerlingen die extra mogelijkheden krijgen om sneller bepaalde kennis een vaardigheden op te doen
    Vervolgens krijgen leerlingen met eigen onderwijsbehoeften gespecialiseerde begeleiding en gaan meerbegaafde leerlingen naar de groeigroep.