Gracht
mannelijk/vrouwelijk (de)/ɣrɑxt/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- gegraven vaart (in Nederland vooral gebruikt in een stedelijke omgeving; in België eerder landelijk)De Amsterdamse grachten zijn wereldberoemd.' 'Wie?' Cornelia kijkt naar de gracht.En vanavond zou ze haar baljurk aantrekken om hand in hand met mij avonturen tegemoet te ruisen op pleinen, in stegen en langs zwarte grachten, en ravissant een eclatant verhaal toe te voegen aan de galmende historie die deze stad aan de lippen stond als wassend water.
Etymologie
*(erfwoord) via Middelnederlands """ van Oudnederlands "graht", in de betekenis van ‘kanaal’ aangetroffen vanaf 1101
Vertalingen
Engelscanal, channel
Spaanscanal
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek