grachtengordel

mannelijk (de)/xxxx/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. een reeks grachten die rondom het centrum van een stad is aangelegd
    De aanleg van grachtengordels was vooral in de Gouden Eeuw erg in zwang.
  2. figuurlijk, pejoratief (figuurlijk) (pejoratief) de veronderstelde woonplaats van een welvarende, linksgeoriënteerde Amsterdamse elite, kliek

Etymologie

*[2] In de metonymische betekenis van een “(elitaire) Amsterdamse kliek”, voor het eerst aangetroffen in 1991, in zwang geraakt door de roman “De Grachtengordel” (1992) van Geerten Meijsing.

Vertalingen

Engelscanals, canal district, champagne socialist
Franscanaux, quartier des canaux, gauche caviar
DuitsGrachtengürtel, Salonsozialist, Toskanafraktion
Spaanscanales, barrio de canales, izquierda caviar
Italiaansradical chic
PortugeesEsquerda Caviar
Deenskystbanesocialist, champagnesocialist