glimlach

mannelijk (de)/ˈɣlɪmlɑx/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. een gelaatsuitdrukking die een geluidloze lach verraadt
    Een pasgeboren baby is gewikkeld in een omslagdoek, made in Twente. Begin november lag de doek nog in een naaikamer in Lonneker, een paar weken later kwam hij goed van pas in de verloskamer van het ziekenhuis in Essau, in het noordwesten van Gambia. „Zo mooi om te zien. Daar doe je het voor”, zegt Marijke Hans met een stralende glimlach.Tubantia 07-12-2016 [https://www.tubantia.nl/enschede/video-285-mutsjes-en-175-omslagdoeken-uit-enschede-gaan-naar-gambia~ad14f140/ Video | 285 mutsjes en 175 omslagdoeken uit Enschede gaan naar Gambia ]
    Als de koningin sprak, werd hij de koningin. Zijn lippen trok hij in een keurige, maar zuinige glimlach, hij had een klein fronsje en een opgeheven kin. Bij belangrijke woorden, zoals ‘terughoudendheid’, drukte hij met zijn hele wezen terughoudendheid uit. de Volkskrant Aaf Brandt Corstius22 september 2010 [https://www.volkskrant.nl/columns-opinie/gebaren~b2ba32ef/ Gebaren]
    Iedereen hield zijn adem in toen Christa's sombere ogen in de spiegel keken en iedereen ademde opgelucht uit toen er een vage maar gemeende glimlach op haar gezicht verscheen.

Etymologie

* In de betekenis van ‘onhoorbare lach’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1765

Vertalingen

Engelssmile
Franssourire
DuitsLächeln
Spaanssonrisa
Italiaanssorriso
Turksgülümseme, tebessüm
Poolsuśmiech