gips
onzijdig (het)/ɣɪps/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (scheikunde) een uit calciumsulfaat en water uithardende witte vaste stof: CaSO4·2H2O
- (materiaalkunde) (extensie) pleister, gipshoudend kalkmengsel gebruikt in verschillende toepassingen, onder meer in mallen en bij het vastzetten van gebroken ledematen
Etymologie
*van Middelnederlands "ghips", in de betekenis van ‘pleister’ aangetroffen vanaf 1477; via "gypse" of direct Latijn "gypsum" van "γύψος" (gúpsos) dat teruggaat op een Semitische taal
Vertalingen
Engelsgypsum, plaster
Fransgypse, plâtre
DuitsGips, Gips
Spaansyeso, escayola
Italiaansgesso
Portugeesgipsita
Russischгипс
Chinees石膏
Japans石膏
Koreaans석고
Arabischجص
Turksalçı
Poolsgips
Zweedsgips
Deensgips
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek