giftigheid
vrouwelijk (de)
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- de mate waarin een stof, vaak al in kleine hoeveelheden, schade kan toebrengen aan de gezondheid van een organisme
- de eigenschap van een stof schade te kunnen toebrengen aan de gezondheid van een organisme
- de mate waarin iets schade kan toebrengen aan de goede werking van iets; de mate waarin iets schade kan toebrengen aan de goede sfeer
Etymologie
* afleiding van giftig
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek