gift

/ɣɪft/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. (f)/(m) geld of een voorwerp dat gegeven wordt en waarvoor men niets terug verlangt
    U zoekt een originele gift voor uw partner, ouders of vrienden?
  2. (n) vergif

Etymologie

*(erfwoord): Middelnederlands ghifte, ghichte, ontwikkeld uit Oergermaans *giftiz, ouder *geftiz, abstractum bij het werkwoord *geban- ‘geven’; zie aldaar. In het Middelnederlands kwam ook ghichte voor (vergelijk hiermee gracht < graft), maar de f werd hersteld naar analogie met geven; vgl. ziften, schrift. Evenals Nederduits/Duits Gift ‘gave; vergif’, Fries jefte, jifte ‘gave’ en Oudengels ġift, ġyft ‘huwelijksgift, koopprijs voor de bruid’.

Vertalingen

Engelsdonation, gift, present
DuitsGabe, Geschenk, Spende
Spaansobsequio, presente, regalo