getimmer

onzijdig (het)/xxxx/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. aanhoudend het geluid maken van een hamer die op een spijker slaat
    Getimmer, gezaag en gejoel. Het geluid van de vierhonderd jonge 'bouwvakkers' bij Het Opbroek is oorverdovend. In een paar dagen tijd timmeren ze in Rijssen een compleet houtdorp in elkaar. Het levert ware kunstwerken op, zo ontdekt burgemeester Arco Hofland van Rijssen-Holten.Tubantia Jelle Boesveld 02-08-17
    Het verbouwde stadion dan eindelijk klaar is. Van ruim 8000 naar ruim 12.000 toeschouwers: het was al heel lang een droom in Almelo. Meer supporters betekent meer lawaai tijdens de wedstrijden, meer sfeer en spektakel. Het einde van de verbouwing brengt ook rust: geen geboor en getimmer meer tijdens de trainingen. En geen schorre stem meer voor de trainer.Tubantia 18-MEI-2015

Etymologie

* van timmeren

Vertalingen

Engelshammering