gesakker

onzijdig (het)

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. gevloek, gefoeter
    Zaterdag opende minister Ben Weyts (N-VA) plechtig de nieuwe Kruispoortbrug in Brugge, gisterochtend weigerden de slagbomen al dienst. Gevolg: lange files, gesakker en schaamrood. De Standaard 13 februari 2018 door tlg, ddj [http://www.standaard.be/cnt/dmf20180213_03355036 Kruispoortbrug na twee dagen al defect]
    Een gecombineerde excursie door de multifunctionele Arena neemt zes uur in beslag. Dan wil je wel eens een levende mens tegen het lijf lopen. Of liever nog: een echte Ajacied. Ook mooi meegenomen, de stootkracht van vertrouwde klanken: het gesakker van de materiaalman, een vloek van de coach, de zucht van de geblesseerde, het geruis van ruïneuze staanplaatsen, het glaswerk van de naburige kantine. NRC H. Camps 18 oktober 1997 [https://www.nrc.nl/nieuws/1997/10/18/museum-7372266-a723844 Museum]
    Het Tweede-Kamerlid Van de Camp (CDA) is boos. Na vier jaar "gesakker en gedraai" van regeringswege over een wettelijke regeling om de politie preventief te kunnen laten fouilleren, wordt vandaag wellicht een begin gemaakt met de behandeling van zijn initiatief-wetsvoorstel, ingediend op 29 oktober 1999. NRC B. Pols 13 februari 2001 [https://www.nrc.nl/nieuws/2001/02/13/kabinet-is-zover-met-preventief-fouilleren-7529894-a708495 Kabinet is zover met preventief fouilleren]

Etymologie

* van sakkeren