gesabbel

onzijdig (het)/ɣəˈsɑbəl/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. aanhoudend zachtjes ergens aan zuigen
    Mannekes muziek herinnert vooral aan Ton de Leeuw, maar is in het gesabbel aan mooie, ronde samenklanken beslist sensueler en veel minder kernachtig. NRC Ernst Vermeulen 30 mei 2000 [https://www.nrc.nl/nieuws/2000/05/30/manneke-bespeelt-ruimte-met-echos-en-romige-klanken-7496635-a944553 Manneke bespeelt ruimte met echo's en romige klanken]
    En op de toonbank stonden de bokalen met zuurtjes en kalissehout. Met het dorp van toen zijn ook het kalissehout en het kruideniertje uit Vlaanderen verdwenen. Ach, moeten we melancholisch doen over het gesabbel op een droge tak? Alles verandert en evolueert, met uitzondering van de Nederlanders dan. Ze kopen wel geen zoethout meer voor een cent, maar ze blijven wel drop eten. Ook hun kinderen: drop is nog altijd de meest gegeten snoep in Nederland, en ondanks de concurrentie van de kleurrijke "moderne" snoepjes blijft de vraag naar drop elk jaar stijgen. De Standaard 7 februari 2004 Eric Bracke [http://www.standaard.be/cnt/dst07022004_051 Calvinistisch snoepgoed]
    Overigens waren mijn ouders geen liefhebbers van mijn gesabbel en mijn gelurk. Ik weet nog goed dat ik op mijn tiende mijn duim een paar keer per dag in een pot marmelade moest dopen. En op mijn twaalfde moest ik voor het slapen gaan de twintig jaar oude keepershandschoenen van mijn vader aantrekken. Maar mijn liefde voor de duim was onwankelbaar. Leek onwankelbaar. Het Parool J. Worthy 15 augustus 2016 [https://www.parool.nl/opinie/de-mooiste-vrouw-uit-de-nederlandse-literatuur-duimt~a4357940/ De mooiste vrouw uit de Nederlandse literatuur duimt]

Etymologie

* van sabbelen