gelukzaligheid

vrouwelijk (de)

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. het heel blij en tevreden zijn
    Ze kon alleen nog op haar zij liggen en elke avond voor hij in slaap viel kroop Reid tegen haar aan en legde hij zijn hand koesterend op haar buik. Zijn gelukzaligheid was haast onverdraaglijk.
    De gelukzaligheid die van het gezicht van het Schotse jongetje afstraalde, zou Samaras ook graag op het gelaat van de Griekse supporters willen toveren.
  2. iets waarvan je heel gelukkig wordt

Etymologie

*afgeleid van gelukzalig

Vertalingen

Engelsglory, well-being, happiness