heerlijkheid

vrouwelijk (de)/ˈherləkˌhɛit/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. geschiedenis (geschiedenis) adellijk grondbezit, als onderdeel van het feodale systeem dat eeuwenlang bestond in veel delen van Europa
    De Gelderse hertog Reinald II verwierf de heerlijkheid Bredevoort in 1326.
  2. historisch, militair (historisch), (militair) adellijke legereenheid
    Eenigen derzelve waren in het slot tydelyk gehuisvest anderen hadden hunne heerlykheden in de nabyliggende vlakte.[http://www.dbnl.org/tekst/cons001leeu01_01/cons001leeu01_01_0005.php?q= Hendrik Conscience, De Leeuw van Vlaenderen (1838), blz. 50.]
  3. religie (religie) gelukzaligheid in religieuze context
    Want Uw is het Koninkrijk, en de kracht, en de heerlijkheid, in der eeuwigheid, amen.[http://www.statenvertaling.net/bijbel/matt/6.html Statenvertaling, Mattheüs 6:13 (1637)]
  4. figuurlijk (figuurlijk) iets bijzonder aangenaams
    Dat je eindelijk dat examen achter de rug hebt is echt een heerlijkheid!

Etymologie

*afgeleid van heerlijk

Vertalingen

Fransseigneurie
DuitsHerrschaft, Herrlichkeit
Spaansseñorío
Deensherlighed