gelegenheid

vrouwelijk (de)/ɣəˈleɣə(n)ˌhɛit/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. mogelijkheid tot
    In het schema is er gelegenheid om een kop koffie te drinken.
    Geen slechte gelegenheid om Albert eens gade te slaan. {{Aut|Lemaitre, Pierre
    Een jubileum waar niemand bij stil staat, verdient die naam misschien niet. Een herdenking met één deelnemer, dat klinkt niet koosjer. Toch grijp ik de gelegenheid, omdat het kinderboek dat precies 25 jaar geleden verscheen, met elke verhuizing mee mocht: Plinius Pinguïn (1990) van Boudewijn Büch (1948-2002), met tekeningen van Pauline Drost. de Volkskrant Arjan Peters5 december 2015 [https://www.volkskrant.nl/nieuws-achtergrond/in-depressieve-plinius-pinguin-een-zelfportret-zien~bc83f98c/ In depressieve Plinius Pinguïn een zelfportret zien]
  2. een zaak
    Weet jij een gelegenheid waar ik een nieuwe broek kan kopen?

Etymologie

*Afgeleid van gelegen .

Vertalingen

Engelsoccasion, opportunity
Fransoccasion, opportunité
DuitsGelegenheit
Spaansocasión, oportunidad