geknetter

onzijdig (het)/ɣəˈknɛtər/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. geluid makend als van een knappend houtvuur
    Het geknetter van het houtvuur bracht de overbelaste manager weer tot rust.
    Daar gaan we, lichtjes wiegend en aandoenlijk luidruchtig. Telefoneren is bij 60 kilometer per uur al nagenoeg onmogelijk. Het leed wordt verzacht door het nostalgische geknetter van de motor en het exquise veercomfort, dat mijn Mercedes S-klasse het Eendje niet nadoet. NRC Bas van Putten 4 februari 2017
    De geur van groene zeep, het geknetter van het verse en harsrijke brandhout in de speksteenkachel en het vliesje ijs op de pis waren dus een reinigingsbad voor zijn ziel, een verheven herinnering aan hoeveel hij aan God te danken had.

Etymologie

* van knetteren