gejank

onzijdig (het)/xxxx/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. geluid gemaakt door dieren m.n. kattengejank is bekend
    Het gejank van de katten in de nacht was zeer hinderlijk.
  2. figuurlijk (figuurlijk) een klagerig huilend geluid dat mensen en vooral kinderen kunnen maken
    Het gejank van de kinderen maakte de moeder wanhopig.
  3. pejoratief (pejoratief) het geluid van een strijkinstrument
    De man vond het geluid van de violen maar kattengejank.
    Het orgelspel hield op. ‘Met enkele variaties van Franck besloot Piet Karwiel dit orgelconcert,’ zei de omroeper. ‘U hoort nu tot negen uur een nonstopprogramma van Hawaianmelodieën.’ ‘Dat is wel een beetje erg, dat gejank,’ zei zijn vader, toen de muziek begon, ‘laten we dat maar afzetten.’ ‘Ik houd er veel van,’ zei Frits, ‘ik ben dol op die uithalen van de snaren.’ NRC Gerard Reve 31 december 2015

Etymologie

* van janken