geit
mannelijk/vrouwelijk (de)/ɣɛit/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (evenhoevigen) (veeteelt) bepaald soort zoogdierZij hebben een geit geadopteerd.Hij ging op het geluid af en zag, op een bergweitje tussen de rotsen, een kleine donkere jongen zijn geiten hoeden.
- (scheldwoord), (persoon) scheldwoord voor een vrouwWat is dat een stomme geit, zeg!
- (persoon) benaming voor een grappig, eigenaardig persoonHij is toch zo'n geit, je blijft lachen met hem.
Etymologie
*(erfwoord) via Middelnederlands: "geit" / "gheet" van Oudnederlands: "get", in de betekenis van ‘herkauwer’ aangetroffen vanaf 701; gaat via : *gaitaz terug op de e wortel *gʰaido-, cognaat met : "𐌲𐌰𐌹𐍄𐍃" (gaits), : "Geiß", : "geit", : → : goat; vergelijk ook Latijn: "haedus" "geitenlam", : "ձի" (ji) "paard", "हय" (haya) "paard", : "žaĩsti" "spelen" en : "заяц" (zájats) "haas"
Vertalingen
Engelsgoat
Franschèvre
DuitsZiege, Geiß
Spaanscabra
Italiaanscapra
Portugeescabra
Russischкоза, козёл
Chinees羊
Japansやぎ
Koreaans염소
Arabischcrapa
Turkskeçi
Poolskoza
Zweedsget
Deensged
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek