game

mannelijk (de)/ɡem/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. tennis (tennis) onderdeel van een wedstrijd
    Diegene die de meeste games wint, is doorgaans de winnaar van de wedstrijd.
    Hoewel de Nederlandse tennisfans zwaar in de minderheid zijn, laten ze zich niet intimideren. „Holland, Holland”, roepen ze in koor. Telkens wanneer Van de Zandschulp een game binnensleept, zijn ze te horen. „Botic, Botic”, klinkt het.
  2. spel dat op een beeldscherm wordt gespeeld
    Hij zat het hele weekend op zijn spelcomputer zijn nieuwe game te spelen.
    Maar Tetris was er nooit op gebouwd om voorbij level 29 te gaan. Hoe verder je komt, hoe meer de game uit elkaar begint te vallen.

Etymologie

*van """, in de betekenis van ‘deel van een set in tennispartij’ aangetroffen vanaf 1903

Vertalingen

Engelsgame, game, video game