gambir
mannelijk/vrouwelijk (de)/ˈɣɑmbɪr/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (bloemplanten) bepaald soort struik in Zuidoost-AziëDe gambirs zijn van dieper geur,ook helder-rein, maar rose getint.Zie, de schoonheid der angsanabloem moet voor de uwe onderdoen, ook kan de fraaiheid der gambir niet bij de uwe worden vergeleken.
zelfstandig naamwoord
- afkooksel van bladeren van de gambirstruik, gebruikt bij het pruimen van sirih en het leerlooienIn de eerste plaats sirih, een soort sterk pepermuntachtig smakend blad. Dan voeg je daarbij een stukje pinangnoot (van de aracapalm), erg bitter, en wat witte kalk en gambir, die heeft een sterke looistofsmaak, nogal samentrekkend, en dan ten slotte een flinke dosis tabak.Het kaauwen van betelbladen, van arékanoten, van tabak, en van gambir is gemeen onder alle volksklassen.
Etymologie
*van "gambir", in de betekenis "afkooksel van gambirbladeren" aangetroffen vanaf 1819 (zie vindplaats hieronder)
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek