fut
mannelijk/vrouwelijk (de)/fʏt/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- de benodigde energie en zin ergens voorHij heeft niet de fut om de afwas te doen.
Etymologie
* In de betekenis van ‘energie’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1813
Vertalingen
Engelsenergy
Fransénergie
DuitsEnergie
Spaansenergía
Italiaansenergia
Portugeesenergia
Russischэнергия
Chinees能量
Japansエネルギー
Poolsenergia
Zweedsenergi
Deensenergi
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek