furie

vrouwelijk (de)/xxxx/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. een zeer boze vrouw
    Het decor van Juni, naar de prachtige roman van Gerbrand Bakker, vormt een boerenschuur met strozolder. Daar verschanst zich op een warme junidag de oude Anna Kaan; ze wil niets meer te maken hebben met haar man en drie zonen. Als een furie gaat ze tekeer vanaf haar bed van stro. NRC Kester Freriks 26 augustus 2016
  2. uitbarsting van woede en geweld
    De man die winnen ziet als een bevestiging dat hij bestaat, moet nu voortijdig de handdoek gooien. Verhoeven wint, Hari druipt af. Ongeloof in de zaal. Terwijl Hari het hoofd buigt en Verhoeven hem troost, sterft de furie van een overspannen zaal een stille dood. Ze zien hun gedroomde kampioen van machine naar mens veranderen. Hari krijgt zelfs een compliment over zijn lippen: „Ik heb niet tegen een jongen gevochten, maar tegen een man.” NRC Dennis Meinema 12 december 2016
  3. mythologie (mythologie) wraakgodin uit de Romeinse mythologie

Etymologie

*uit het Latijn

Uitdrukkingen

  • als een furie tekeergaanin razende woede uitbarsten