woede

mannelijk/vrouwelijk (de)/ˈwudə/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. psychologie (psychologie) gevoel van erge kwaadheid
    De jongen kon zijn woede maar nauwelijks bedwingen.
    ' Het is zo prettig mijn woede te uiten, om eens even gevalideerd heel onhebbelijk te mogen zijn.
    Het is niet eens de boosheid over hun slippertje die de boventoon voert, het zijn de jaren aan opgekropte woede over het gemak waarmee Annet een plek veroverde in ons familiesysteem, alsof het haar eigen familie was.

Etymologie

* In de betekenis van ‘razernij’ voor het eerst aangetroffen in 1588

Vertalingen

Engelsanger, dudgeon, fury
Fransfureur, rage, colère
DuitsWut
Spaanscólera, furia, rabia
Italiaansrabbia, collera
Zweedsvrede, ilska, raseri