fruitboom
mannelijk (de)/ˈfrœydbom/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (tuinbouw) om de vruchten geteeld gewas met een stam en takken
Vertalingen
Engelsfruit tree, fruiter
Fransarbre fruitier
DuitsObstbaum
Spaansfrutal, árbol frutal
Zweedsfruktträd
Deensfrugttræ
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek