franskiljon

mannelijk (de)/ˌfrɑnskɪlˈjɔn/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. pejoratief (pejoratief) elitaire bewoner van Vlaanderen en Brussel die het Frans hanteerden als primaire taal
    Dat Vilvoorde Vlaams was, vormde geen beletsel er te gaan wonen. Ze hadden er vrienden en snakten na decennia in het appartement in Brussel naar een huis met tuin. Vele Franstalige hoofdstedelingen maakten de afgelopen jaren een dergelijke stap. Nog veel meer dan in Vilvoorde leidt dat tot fricties in randgemeenten rond Brussel. Gob realiseert zich de gevoeligheden. Het hangt, meent ze, van je instelling af. Gedraag je je als een echte franskiljon, dan laat de Vlaming je naar 'den duvel' lopen. 'Als je toont dat je je best doet, is er niks aan de hand.Volkskrant Rob Gollin 15 januari 2001

Etymologie

*mogelijk een vernederlandsing van ouder "francillon", op te vatten als afgeleid van "Frans" met het Franse achtervoegsel "-illon" "geringe Fransman, fransmanneke" in de betekenis van ‘Vlaming die voor overheersing van het Frans is’ aangetroffen vanaf 1838