flamingant

mannelijk (de)/xxxx/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. iemand die opkomt voor de emancipatie van het Vlaamse volk in België
    ‘Gij zijt mij vreemd geweest, vermetele oude vriend’, dichtte Willem Elsschot zestig jaar geleden over de in 1946 gefusilleerde collaborateur, flamingant en antibelgicist August Borms, ‘maar dat gij Neerlands vaan manmoedig hebt gediend/ dát weet ik niettemin zoals ’t een ieder weet/ die nu, in dit ons Land, zijn brood in schaamte eet. Volkskrant Paul Depondt 9 november 2007
    Met Jan Verroken overlijdt een beginselvaste ­flamingant en de oudste ­twitteraar van het land.

Etymologie

* Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘aanhanger van de Vlaamse beweging’ voor het eerst aangetroffen in 1881