franchising

mannelijk/vrouwelijk (de)/ˈfrɛntʃɑjzɪŋ/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. een methode van zakendoen waarbij een ondernemer (de franchisenemer) een contract sluit met de eigenaar van een handelsnaam (de franchisegever) die de franchisenemer het recht geeft om tegen betaling een zaak met die handelsnaam als zelfstandige te exploiteren

Etymologie

* Leenwoord uit het Engels, in de betekenis van ‘het huren van rechten van een ander bedrijf’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1973