franc
mannelijk (de)/frɑŋk/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (financieel) frank, munteenheid in verschillende Franstalige landenDe kaartjes waren wel veertig franc per stuk geweest, vertelde hij met glanzende ogen en hij maande met zijn vinger, je bent elf nu, pas op, nu ga je het beleven.
- (numismatiek) muntstukHij was een jongetje en dol op flipperen. Dus hij jatte telkens muntgeld van zijn vader, ook op de camping in Frankrijk. Hij strooide die munten zelfs vooraf uit op het pad naar de kantine: "Pap, kijk! Een franc! En daar nog een!"
Etymologie
*van "franc"
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek