forehand
mannelijk/vrouwelijk (de)/ˈfɔːrhɛnt/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (sport) slag bij het tennisspel waarbij de palm van de hand naar het net is gekeerd
Etymologie
* Leenwoord uit het Engels, in de betekenis van ‘slag met handpalm richting bal (bij tennis)’ voor het eerst aangetroffen in 1924
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek