fluit
mannelijk/vrouwelijk (de)/flœyt/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (muziekinstrument) buisvormig blaasinstrumentTen slotte kwam hij in een rotsachtige streek, waar hij plotseling de fluit van een herdersjongen hoorde.
- (techniek) op luchtstroom werkend signaalinstrument
- (scheepvaart) zeegaand vrachtschip met drie masten uit de 17e en 18e eeuw
- (drinken), (huishouden) een wijn/champagneglas met voet, oorspronkelijk uit de 17e eeuw
- (anatomie) (figuurlijk) (informeel) mannelijk geslachtsdeel
Etymologie
*via Middelnederlands "flute" / "floite" van "flaute", in de betekenis van ‘blaasinstrument’ aangetroffen vanaf 1351
Uitdrukkingen
- Een fluitje van een cent — Iets heel gemakkelijks
- Geen fluit — Helemaal niets
Vertalingen
Engelsflute, whistle, whistle
Fransflûte, sifflet, flûte
DuitsFlöte, Trillerpfeife, Fleute
Spaansflauta, silbato, pito
Italiaansflauto
Poolsflet
Zweedsflöjt
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek