flitsen

/ˈflɪtsə(n)/

Betekenis

werkwoord
  1. een flits veroorzaken, maken of gebruiken
    Om in het donker foto's te kunnen maken moet je flitsen.
  2. auto's fotograferen die te snel rijden om een boete te kunnen geven
    Mijn dochter en ik zijn tweemaal geflitst in Nijmegen.
  3. een snelle beweging maken
    De wielrenners van de Tour de France flitsen voorbij.
  4. heftig maar kort aanwezig zijn
    De rampen die zouden kunnen gebeuren flitsten door mijn hoofd toen ik de kinderen bij het ravijn zag spelen.
    Tijdens de laatste kilometers liet ik alle herinneringen van de trail in een noodvaart door mijn hoofd flitsen, misschien zoals mensen die een bijna-doodervaring hebben.

Etymologie

* In de betekenis van ‘bloot over straat rennen’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1976