flaneren
/flaˈnerə(n)/
Betekenis
werkwoord
- (inerg) rondwandelen om te zien en gezien te wordenHardwarefabrikant Nvidia kwam zijn nieuwe grafische apparatuur presenteren, en gamemakers met goede banden met het bedrijf waren uitgenodigd. Een uitgelezen kans voor de twee goedgebekte mannen van een klein Nederlands gamebedrijf om te flaneren, even te laten zien dat zij er ook bij horen.Op al de wandelplaatsen, die na den eten zoo vol loopen dat er veel omzigtigheid toe behoort om de teenen en hielen van uwen naaste de pijnlijke gewaarwording van uwen voettred niet te doen ondervinden, ziet men de gallische adamszonen met een verlicht hoofd of liever met een verlichten mond flaneren, in goed hollandsch ronddrentelen. Het attribuut des gemeenen ambachtsmans moge de kiel en het korte pijpje zijn, die des wandelaars is de sigaar.Want naar de Botermarkt gaat men zonder doel, om rond te zwerven en rond te snuffelen, om hier te zien en daar te kijken, met een woord om te flaneren, maar wie den langen weg naar het Amstelveld onderneemt, die heeft een bepaald oogmerk;
Etymologie
*van "flâner" (), in de betekenis van ‘rondslenteren om gezien te worden’ voor het eerst aangetroffen vanaf 1842 (zie vindplaats hieronder)
Vertalingen
Fransflâner
Spaansbarzonear, deambular, ruar
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek