slenteren
/xxxx/
Betekenis
werkwoord
- (erga) langzaam en futloos/lusteloos ergens heen lopenHij was met tegenzin naar huis geslenterd.
- (inerg) langzaam lopen zonder specifiek doelEr werd naar zijn zin te veel geslenterd.
- (inerg), (verouderd) slabakken, talmen, treuzelen
- (inerg), (verouderd) "kruipen", slingeren
Etymologie
*Mogelijk van Protogermaans *slantjan-, *sleidh-; dezelfde herkomst als slinderen. In de betekenissen "kruipen, slingeren"/"toeven, treuzelen" voor het eerst aangetroffen omstreeks 1599. In de tegenwoordig gangbaardere betekenis van ‘langzaam lopen’ voor het eerst aangetroffen in 1701
Vertalingen
Engelsshuffle, saunter, stroll
Franstraîner, vadrouiller, flâner
Duitsschlendern, lungern, bummeln
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek