fietstocht
mannelijk (de)/ˈfitstɔxt/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- een tocht gemaakt op de fietsGister hebben zij een fietstocht door Drenthe gemaakt.Mijn zondagochtendlijke fietstochten leidden me de afgelopen jaren echter niet langer naar kerkgebouwen, maar ik voelde me steeds meer aangetrokken tot de natuur.
Vertalingen
Engelsbike tour
Franspromenade à bicyclette
DuitsRadtour
Spaansexcursión en bicicleta
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek