fietstocht

mannelijk (de)/ˈfitstɔxt/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. een tocht gemaakt op de fiets
    Gister hebben zij een fietstocht door Drenthe gemaakt.
    Mijn zondagochtendlijke fietstochten leidden me de afgelopen jaren echter niet langer naar kerkgebouwen, maar ik voelde me steeds meer aangetrokken tot de natuur.

Vertalingen

Engelsbike tour
Franspromenade à bicyclette
DuitsRadtour
Spaansexcursión en bicicleta