fietsafstand

mannelijk (de)/ˈfitsɑfstɑnt/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. afstand die wordt afgelegd tussen twee punten als men de fietsroutes volgt
    De fietsafstanden zijn hier in de buurt best naar beneden gegaan sinds het nieuwe fietspad is aangelegd.
  2. afstand die geacht wordt binnen een redelijke tijd te befietsen te zijn
    Gelukkig ligt de school op fietsafstand van hun nieuwe huis.

Uitdrukkingen

  • op fietsafstand - op een afstand die men gemakkelijk kan fietsen