fietsafstand
mannelijk (de)/ˈfitsɑfstɑnt/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- afstand die wordt afgelegd tussen twee punten als men de fietsroutes volgtDe fietsafstanden zijn hier in de buurt best naar beneden gegaan sinds het nieuwe fietspad is aangelegd.
- afstand die geacht wordt binnen een redelijke tijd te befietsen te zijnGelukkig ligt de school op fietsafstand van hun nieuwe huis.
Uitdrukkingen
- op fietsafstand - op een afstand die men gemakkelijk kan fietsen
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek