fan

mannelijk (de)/xxxx/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. persoon (persoon) een enthousiaste aanhanger
    Hij heeft door dat optreden erg veel fans verworven.
    Zo kwam ik bij de vraag: geloof ik in God? Hoewel ik protestant ben opgevoed en mijn hele leven als religieuze pelgrim op zoek naar God van kerk naar kerk zwierf ben ik nooit een grote fan van predikanten geweest.
    Donderdag namen in het stadion al de eerste supporters plaats, van karton. Naar een idee van de supportersvereniging kunnen fans van Borussia voor 19 euro een kartonnen fan kopen met daarop een levensgrote foto van zichzelf.
zelfstandig naamwoord
  1. techniek (techniek) ventilator

Etymologie

*[B] Leenwoord uit het Engels, in de betekenis van ‘bewonderaar’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1947

Vertalingen

Engelsfan, fan
Fransventilateur
Spaansforofo, ventilador