evenwicht
onzijdig (het)/ˈevə(n)ˌwɪxt/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (natuurkunde) toestand waarin het gewicht aan beide zijden van een balans gelijk isDoor toevoeging van dat laatste gewicht kwam de weegschaal weer in evenwicht.
- bij uitbreding: toestand waarbij verschillende op eenzelfde lichaam werkende krachten elkaar opheffenUiteindelijk stopte de wijzer met heen en weer bewegen en kwam bij de waarde 73,5 A in evenwicht.Toen stootte hij mij aan met zijn elleboog. Ik verloor bijna mijn evenwicht.
- toestand van rust of overeenstemming, doordat van verschillende krachten geen de andere te zeer overtreft en er een situatie van rust en kalmte bestaatHet politieke krachtenveld was in evenwicht.Het volk ' 'Als er iets is wat het evenwicht in een land ontwricht, is het wel het woord "dwang", meneer Robles ' Met een stralende lach voegde hij eraan toe: 'Maar op deze manier ontwrichten we nog de lunch van uw zus.
- (psychologie) toestand van overeenstemming tussen neigingen en vermogensNa een roerige periode in zijn leven kwam hij na zijn trouwen eindelijk in evenwicht.
- (scheikunde) toestand waarbij geen verdere omzetting meer plaatsheeft of die in de ene richting gelijk is aan die in de andere
Etymologie
* (=gewicht)
Uitdrukkingen
- in evenwicht blijven / het evenwicht bewaren — overeind blijven, niet vallen
Vertalingen
Engelsequilibrium, balance
Franséquilibre
DuitsGleichgewicht
Spaansequilibrio
Italiaansequilibrio
Poolsrównowaga
Zweedsjämvikt
Deensligevægt, balance
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek