elkaar

/ɛlˈkar/

Betekenis

voornaamwoord
  1. als wederzijds lijdend voorwerp
    Zij begroetten elkaar
    Iedereen kent elkaar
  2. als wederzijds meewerkend voorwerp
    Zij gaven elkaar een hand.
  3. als voorzetselvoorwerp: drukt uit dat van twee of meer personen ieder op zijn eigen manier tegenover de ander handelt
    Zij waren echt aan elkaar gewaagd.
    ’Wie weet er een mop?’ riep een aarzelende stem. Een voor een begonnen we grappen en verhalen met elkaar te delen om de moed erin te houden.
  4. als voorzetselvoorwerp: drukt een onderlinge relatie, aansluiting of een snelle opeenvolging uit
    Zij hebben een uur achter elkaar lopen praten.

Etymologie

* In de betekenis van ‘wederkerig voornaamwoord’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1285

Uitdrukkingen

  • het is voor elkaarhet is klaar
  • iemand in elkaar slaaniemand heel hard slaan zodat die persoon niet meer rechtop kan staan
  • uit elkaar gaanstoppen met een relatie, scheiden
  • achter elkaar lopenin ganzenpas lopen, de ene voor de andere lopen
  • iets in elkaar zetteniets monteren, van losse delen één geheel maken
  • In elkaar zittenvertellen hoe iets is samengesteld
  • zaken door elkaar halenje vergissen, denken dat het ene ding eigenlijk het andere is

Vertalingen

Engelseach other
Fransnous, vous, se
Duitseinander, sich, zusammenschweißen
Russischдруг друга