elk

/ˈɛlᵊk/

Betekenis

voornaamwoord
  1. alle afzonderlijk
    Je kunt niet op elke slak zout leggen.
    Ondanks de prachtige omgeving keek ik bij elk geluid toch wat schichtig achterom. Het was even wennen om helemaal alleen door de uitgestorven woestijn te lopen, maar toch raakte ik geleidelijk in een ritme.
    Ze maakten uitgebreid filmpjes en juichten bij elke donderslag terwijl ik juist dieper in mijn slaapzak kroop. Ik voelde me klein en uiterst kwetsbaar.
  2. ieder mens afzonderlijk
    Melk is goed voor elk.
  3. geeft aan dat een telwoord als verdelingsgetal bedoeld is
    Hij gaf de kinderen twee appels elk.

Etymologie

* In de betekenis van ‘onbepaald voornaamwoord’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1220

Uitdrukkingen

  • Elk huisje heeft z'n kruisje.ieder gezin heeft eigen zorgen en problemen
  • Elk meent z'n uil een valk te zijn.een ouder meent dat diens eigen kinderen beter/slimmer/etc. zijn dan andermans kinderen
  • Elk schot is geen eendvogel.niet iedere poging of alles wat je doet is succesvol
  • Elk wat wils zijnvoor iedereen is er wat te vinden
  • Elke dag een draadje is een hemdsmouw in een jaar.als je iedere dag een beetje doet komt het karwei uiteindelijk klaar
  • Elke dag heeft genoeg aan zijn eigen kwaad.men moet zich niet zorgen maken over de toekomst
  • Elke gek heeft zijn gebrek.er valt op iedereen wel iets aan te merken
  • Elke ketter heeft zijn letter.ieder denkt dat de eigen mening bewezen kan worden

Vertalingen

Engelseach, every, everyone
Franschaque, chacun, tout le monde