eikentak
mannelijk (de)/ˈɛikə(n)ˌtɑk/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- houtig deel van een loofboom uit het geslacht dat bladeren verbindt met de stam; boomtak met eikenbladeren of eikelsEr was een tekening bij van harige rupsen die in het gelid langs een dikke eikentak marcheerden.Zo geraakte ik mijn gans kwijten heeft een boer volkomen gelijkdat van de beker tot de lippenons nog heel wat kan ontglippen.Ik hechtte daaraan geen gelooftot de gier naar mij toevloog,mijn prooi stal en de wijk namen neerstreek op een eikentak.
- (vlinders) een nachtvlinder uit de familie van de spanners (Geometridae). De wetenschappelijke soortnaam is voor het eerst als Geometra honoraria geldig gepubliceerd door Michael Denis en Ignaz Schiffermüller in 1775
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek