eikel

mannelijk (de)/ˈɛikəl/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. plantkunde (plantkunde) vrucht van de eikenboom
    De eikels lagen voor het oprapen.
  2. anatomie, medisch (anatomie) (medisch) top van de penis
    Met een watje en lauw water de eikel schoonmaken.
  3. scheldwoord, jongerentaal (scheldwoord), (jongerentaal) dom persoon; sufferd, zak (sinds de jaren 1960)"eikel" in: De Coster, Groot scheldwoordenboek: van apenkont tot zweefteef, Antwerpen: Standaard, 2007
    Er stopte ’n kleine MG met twee Engelsen (altijd die ongezond uitziende eikels) naast ons.
    Pas maar goed op dan, want er lopen heel wat rare eikels rond in de wereld.

Etymologie

*[3] verwijzing naar het mannelijk geslachtsdeel

Vertalingen

Engelsacorn, glans, glans penis
Fransgland, gland, nœud
DuitsEichel, Eichel, Trottel
Spaansbellota, glande
Italiaansghianda, glande, coglione
Portugeesbolota
Russischжёлудь
Chinees橡子, 栓皮櫟
Japans団栗
Koreaans도토리
Arabischبلوط
Turkspalamut
Poolsżołądź
Zweedsekollon, ollon, tönt
Deensagern